|
Bevindingen uit: Schwartz, S.J., & Finley, G.E. (2006). Father involvement, nurturant fathering, and young adult psychosocial functioning: Differences among adoptive, adoptive stepfather, and nonadoptive stepfamilies. Journal of Family Issues, 27(5), 712-731.
In hun artikel ‘Father involvement, nurturant fathering, and young adult psychosocial functioning’ onderzoeken Schwartz en Finley of er verschillen zijn tussen adoptie-, stiefadoptie- en stiefkinderen wat betreft de manier waarop ze hun vaders betrokkenheid en zorg ervaren hebben enerzijds en het verband met hun psychosociale ontwikkeling wanneer ze jongvolwassen zijn anderzijds. Hoewel uitgebreid onderzoek het belang van vaders in de ontwikkeling van kinderen en jongeren aangetoond heeft, werden dergelijke studies voornamelijk uitgevoerd bij biologische vaders. Vergelijkbaar onderzoek bij niet-biologische vaders en in niet-traditionele gezinsvormen is daarentegen schaars.
Werkwijze van het onderzoek
Aan dit onderzoek namen in totaal 168 jongvolwassen universiteitsstudenten deel. Van hen werden er 27 geadopteerd (maar niet door een stiefvader), 22 werden geadopteerd door hun stiefvader, en 119 hebben een stiefvader die hen niet geadopteerd heeft. Aan de hand van vragenlijsten werd nagegaan of deze drie groepen jongvolwassenen van elkaar verschillen wat betreft: - perceptie van vaders betrokkenheid en zorg tijdens de kindertijd - huidig psychosociaal functioneren (eigenwaardegevoel, levenstevredenheid en toekomstverwachtingen).
Resultaten van het onderzoek
Vaders betrokkenheid en zorg
Adoptie- en stiefadoptievaders werden meer betrokken en zorgend bevonden dan stiefvaders. Hoe jonger het kind was op het moment dat de vader zijn intrede in het gezin deed, en hoe langer hij betrokken was in het leven van het kind, hoe positiever zijn betrokkenheid en zorg in de kindertijd door de jongvolwassene gepercipieerd werd. Dit geldt echter enkel voor adoptie- en stiefadoptiekinderen, en niet voor stiefkinderen.
Verband met psychosociaal functioneren
In adoptiegezinnen werd een sterk positief verband gevonden tussen de perceptie van vaders betrokkenheid en zorg in de kindertijd en het huidige psychosociale functioneren van de jongvolwassene. Dit verband bleek veel zwakker bij stiefadoptie- en stiefkinderen. De leeftijd van het kind op het moment dat de vader zijn intrede in het gezin deed en het aantal jaar dat hij betrokken was in het leven van het kind, speelde in dit verband voor geen van de drie gezinsvormen een rol.
Conclusie
De resultaten van dit onderzoek bieden steun aan het feit dat adoptievaders betrokken en zorgende vaders zijn – of althans als dusdanig beleefd worden door hun kinderen – en dat dit verband houdt met een positief psychosociaal functioneren van deze kinderen op jongvolwassen leeftijd. Schwartz en Finley pleiten er dan ook terecht voor dat toekomstig onderzoek zou moeten trachten achterhalen wat precies de processen zijn onderliggend aan dit verband.
Kritische bedenking
Een belangrijke beperking van dit onderzoek is dat de betrokkenheid en zorg van vaders en het psychosociale functioneren van de jongvolwassene op hetzelfde moment werden gemeten, waardoor geen uitspraken over wat oorzaak en wat gevolg is kunnen gemaakt worden. Zo zou het bijvoorbeeld kunnen dat het psychosociale functioneren van de jongvolwassene van invloed is op zijn/haar perceptie van hoe betrokken en zorgend vader was tijdens de kindertijd. Of nog: dat beide factoren veroorzaakt worden door een derde factor die niet in het onderzoek van Schwartz en Finley werd meegenomen. Met andere woorden, het is niet ondenkbaar dat het plaatje vaderlijke betrokkenheid/zorg en kinderontwikkeling ingewikkelder is dan een te simplistische interpretatie van (de resultaten van) dit onderzoek zou kunnen doen uitschijnen.
Tekst: Eileen Tang
|