Wachten op een adoptiekind: zoals zwanger zijn en toch weer niet
Adoptieouders spreken in verband met het wachten op een kind wel eens over een “mentale zwangerschap”. Evenals biologische ouders maken zij immers een periode door waarin ze enerzijds verlangend uitkijken naar hun kind en anderzijds gevoelens van onzekerheid ervaren.
Toch houdt deze verwachtingsperiode voor veel adoptievaders meer in dan een “gewone” zwangerschap. “Meer” in de zin van meer gelijk- of evenwaardig met hun partner: omdat ze van eenzelfde basis met hun kind vertrekken, in tegenstelling tot biologisch ouderschap waar de moeder toch altijd een “voorsprong” heeft ten opzichte van de vader. “Meer” ook in de zin van meer onzekerheid: bovenop vragen als “gaat ons kind gezond zijn”, “gaan we voor ons kind kunnen zorgen”, die ook bij biologische ouders leven, worden adoptieouders bovendien geconfronteerd met vragen als “hoe lang gaat het wachten (nog) duren”, “hoe oud gaat ons kind precies zijn”. Deze onzekerheden kunnen de verwachtingsperiode bemoeilijken voor adoptievaders in het bijzonder, omdat velen onder hen het regelen van praktische zaken, zoals het klaarmaken van de kinderkamer, tot hun taak rekenen. “Meer” ten slotte in de zin van erg bezig zijn met de ‘roots’ van hun kind. Waar dit voor biologische ouders voor de hand liggend is, geven veel adoptieouders aan de verwachtingsperiode ook te benutten om het land en de cultuur van herkomst van hun kind te leren kennen. Informatie op internet opzoeken, ervaringen uitwisselen met ouders die een kind uit hetzelfde land adopte(e)r(d)en, het land bezoeken, de taal leren: allemaal manieren om de culturele achtergrond van het kind een plaats te geven in hun gezin.
Kortom, het wachten op een adoptiekind brengt, naast de uitdagingen eigen aan een “gewone” zwangerschap, ook heel wat specifieke uitdagingen met zich mee. Dit maakt adoptieouderschap uniek en houdt kansen tot groei en ontwikkeling in.
Hoe adoptievaders hun vaderrol invullen...
Betrokken zijn
Vaders kunnen in verschillende mate en op verschillende manieren betrokken zijn in het leven van hun kind. Adoptievaders blijken het, net als biologische vaders, belangrijk te vinden beschikbaar en emotioneel betrokken te zijn bij hun kind en ook zorgtaken op zich te nemen. En het blijft niet bij lippendienst: vaders trachten dit ook daadwerkelijk in de praktijk om te zetten. Zo blijkt uit een recent onderzoek bij Amerikaanse studenten waarin adoptie-, stiefadoptie- en stiefvaders met elkaar vergeleken werden, dat de twee groepen adoptievaders door hun kinderen als meer zorgend en meer betrokken beleefd werden dan stiefvaders. Een recent Nederlands onderzoek biedt dan weer steun voor het feit dat vaders meer dan vroeger betrokken zijn bij de opvoeding van en de zorg voor hun kind, en dat adoptievaders hierin niet verschillen van biologische vaders.
Anderzijds erkennen Vlaamse vaders dat in de realiteit het feitelijke zorgen voor het kind toch vaak nog op de schouders van hun partner komt te vallen. Bij biologische vaders zien we dit weerspiegeld in de feitelijke invulling van de tijdsbesteding aan hun kind. Zij geven immers aan maar een beperkt aantal uren in de week beschikbaar te zijn voor hun kind – dit is evenwel niet verwonderlijk vermits ze doorgaans voltijds werken; in het weekend loopt dit gemakkelijk op tot een veelvoud. De extra tijd in het weekend wordt dan vooral besteed aan meer spelen met hun kind, eerder dan aan meer zorgactiviteiten (terwijl deze verdeling tussen zorg- en spelactiviteiten in de week meer gelijk verdeeld is). Tot slot geven biologische vaders ook aan niet of nauwelijks als enige verantwoordelijkheid te dragen voor hun kind, noch in de week noch in het weekend. Over de tijdsinvulling van adoptievaders in het algemeen en van Vlaamse adoptievaders in het bijzonder bestaan (nog) geen cijfers. Een mogelijke verklaring voor deze eerder traditionele taakverdeling in jonge Vlaamse gezinnen kan liggen in de nog steeds relatief vader-onvriendelijke maatschappelijke maatregelen, zoals beperkt vaderschapsverlof. Deze kunnen maken dat Vlaamse vaders maatschappelijke druk voelen om toch vooral in de eerste plaats financieel voor hun gezin te voorzien, en het hen aldus moeilijk maken om gezinsleven (nog) beter te rijmen met professionele eisen en verantwoordelijkheden. Wanneer we bijvoorbeeld naar Scandinavische landen kijken, waar vaders meer dan in Vlaanderen (financieel) gestimuleerd worden om ouderschapsverlof te nemen, stellen we vast dat vaders er wel in slagen hun vaderrol ook op een meer zorgende manier in te vullen.
Spelende vaders versus zorgende moeders?
Een andere mogelijke verklaring is dat vaders hun ouderlijke rol effectief anders invullen dan moeders. Uitgebreid internationaal onderzoek toont aan dat vaders’ attitudes, gedragingen en interactiepatronen naar hun kind toe over het algemeen speelser, actiever, meer fysiek stimulerend en meer opwindend bevonden worden dan die van moeders. Ook Vlaamse mannen blijken hun vaderrol toch vooral te zien als spelen met hun kind, naast het aanleren van regels en het stellen van grenzen aan hun kind. Niettemin lijkt enige nuancering hier zeker op zijn plaats: dergelijke bevindingen betekenen niet (noodzakelijk) dat de invulling van de ouderlijke rol afhankelijk is van het geslacht van de ouder. Het zou kunnen dat dit eerder te maken heeft met andere factoren die de ouderrol kunnen kleuren, zoals de leeftijd van de ouder, de werkstatus van de ouder, de tijd die de ouder aan zijn/haar kind besteedt/kan besteden (zie boven), of de ethniciteit of cultuur waartoe het gezin behoort. Met andere woorden, niet zozeer het geslacht op zich van de ouder blijkt van belang te zijn, dan wel de rolverdeling zoals die binnen het gezin gehanteerd wordt, en deze rolverdeling kan erg verschillend zijn van gezin tot gezin (zie ook verder).
Beschermen
Daarnaast halen veel Vlaamse vaders het beschermen van hun kind aan als concrete invulling van hun vaderrol. Hoewel adoptievaders zeer zeker erkennen dat deze beschermende rol ook door biologische vaders ingevuld wordt, geven zij toch aan dat zij dit wellicht in nóg sterkere mate (zullen) doen. De meeste vaders die een buitenlands kind adopteren/geadopteerd hebben, kaderen dit zelf vooral in het uiterlijk anders-zijn van hun kind en de daarmee gepaard gaande reacties van de buitenwereld. Ook uit internationaal onderzoek blijkt dat dergelijke gezinnen wel eens te kampen hebben met maatschappelijk stigma en vooroordelen rond adoptie. Vlaamse adoptievaders spreken echter niet ongenuanceerd over negatieve reacties. Zij benadrukken namelijk de doorgaans erg positieve reacties van hun naaste omgeving op hun beslissing om een kind te adopteren, maar zeker op hun adoptiekind zelf. Wat betreft de bredere maatschappij wijzen zij inderdaad op de niet onverdeeld positieve reacties, maar ze weten de meer negatieve opmerkingen ook te nuanceren: dat die vaak eerder ingegeven lijken vanuit onwetenheid, veeleer dan vanuit kwaadwilligheid; dat er ook goedbedoelde ‘positieve discriminatie’ plaatsvindt, hoewel ze wel vinden dat die ook – onnodig – het anders-zijn van hun kind beklemtoont; enz.
Tot slot…
Tot slot lijkt het belangrijk te benadrukken dat niet alle mannen hun vaderrol op dezelfde manier invullen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, kan deze invulling in meerdere of mindere mate verschillen van vader tot vader, van gezin tot gezin, van samenleving tot samenleving. In Westerse samenlevingen zien we bijvoorbeeld dat het concept ‘ouderlijke betrokkenheid’ in de literatuur over ouderschap anders wordt gedefinieerd in navolging van maatschappelijke evoluties. Waar ouderlijke betrokkenheid vroeger gemeten werd aan de hand van hoe veel tijd een ouder met zijn/haar kind doorbrengt (kwantiteit), wordt nu vooral gekeken hoe hij/zij deze tijd invult en wat daaraan ten grondslag ligt (kwaliteit). Uit uitgebreid internationaal onderzoek blijkt inderdaad consistent dat niet zozeer de kwantiteit dan wel de kwaliteit van ouderlijke betrokkenheid van belang is voor de ontwikkeling van het kind. Dit alles impliceert ook dat niet zozeer de overweging of alle taken mooi gelijk verdeeld zijn tussen beide partners het belangrijkste is, maar wel of het ouderkoppel hierin een weg weet te vinden die goed is voor hun gezin.
|